De Vlaamse invloed.

Bijgewerkt op: 15 aug.

Sterkedranken, of spirits, worden vandaag gedistilleerd in twee of drie keer of in een continu systeem en bijna altijd in koperen alambieken. Van primitieve distilleerkolven naar de imposante en elegant gevormde pot stills van vandaag, altijd bleef het principe gelijklopend. Het klopt dat er de laatste eeuwen op het gebied van innovatie in dit proces geen wereldschokkende veranderingen zijn gebeurd. Tenzij misschien één! De komst van la Colonne Belge…


De eerste bewijzen van distillatie zijn terug te vinden op stenen gravures die zijn gemaakt in het oude Mesopotamië rond 1200 v.C. Hierop stond een verwijzing naar een primitieve vorm van distillatie ten dienste van parfumerie. Via de Oude Grieken werd deze scheidingstechniek verder ontwikkeld en bestudeerd en kwam het in Europa terecht. Tijdens de eerste eeuwen na Christus werd de techniek toegepast in de laboratoria van de alchemisten waarmee zij probeerden om gewone metalen om te zetten in goud door middel van de Steen der Wijzen. Dat vele Vlamingen gebeten waren door het fenomeen distillatie, kunnen we afleiden uit talrijke schilderijen en encyclopedieën van Vlaamse hand.

Het laboratorium van hertog Francesco I de Medici, 1570 door Jan Van der Straet. Het oudste gekende schilderij van een alchemist waarop een distilleerkolf te zien is.

Jacob van Maerlant (Damme, ca. 1235 – 1300) was de eerste die een beschrijving maakte van het distilleerproces in het Nederlands in 1266 toen hij zijn verzamelwerk Der Naturen Bloeme uitgaf. Hierin werd overigens ook al een eerste keer gebruik gemaakt van de jeneverboom in zijn receptuur en was dus een eerste vorm van jenever. Jacob’s werk was géén origineel maar eerder een verzameling van andere werken waarbij zijn grootste inspiratiebron het boek Liber der natura rerum was, geschreven tussen 1230 en 1245 door eveneens een Vlaming Thomas van Cantimpré (Bellingen 1201 – Leuven ca. 1272) Het gedeelte over distillatie was hier wel volledig nieuw geschreven door Jacob. Later, in 1351, beschreef ook de Vlaming Johannes van Aalter uitvoerig hoe wijn kon gedistilleerd worden in stappen en hoe je een primitieve distilleerkolf kon dichtplakken met bloem en het wit van een ei. Maar ook kunstenaars zoals David Teniers, Jan van Eyck en Jan van der Straet lieten hun sympathie voor de alchemie en distillatie graag tonen. Deze laatste was een in Brugge geboren kunstschilder die werkte in Florence voor het hof van de beroemde Medici onder het acroniem Joannes Stratensis (1523 – 1649). Al deze kunstenaars kenden de distilleerkunst goed en beoefenden ze.


De pestepidemie van 1348 lag mede aan de basis van de opkomst en de verspreiding van de distilleerkunst in de Nederlanden. De alambiek was voortaan ook te zien buiten de geheimzinnige werkkamers van de alchemisten en werd niet alleen gebruikt door apothekers, maar ook door schilders, goudsmeden, metaalbewerkers en textielverfbereiders. De apothekers namen hier echter wel het voortouw. Tijdens de 15e eeuw zetten meer en meer apothekers zich aan het distilleren zodat bij het begin van 16e eeuw de distillaten een vaste plaats hadden verworven in de apotheken. Ook het beroep als distilleerder of stoker zelf werd een gerespecteerd métier en de eerste stoker werd genoteerd in het Resolutieboek van Brugge in 1447 waarin een zekere Baptista Gambaro’s officiële beroep als stokere werd omschreven. Doorheen de 16e eeuw worden de alambieken technologisch beter en groter door onderzoeken van zowel Noord -als Zuid-Nederlanders (huidig Nederland en België).


In 1476 verschijnt het allereerste boekje volledig gewijd aan distilleren te Augsburg. Het werd geschreven door de arts Michael Puff von Schrick (ca. 1400 – 1473), hoogleraar aan de universiteit van Wenen. Buiten enkele fragmenten of beschrijvingen van het proces door Vlamingen, Nederlanders, Italianen en Arabieren in de eeuwen hieraan voorafgaand, was dit werkje gedetailleerder en bevatte het vooral de bereidingen van medicinale wateren. Hierna volgen de boeken over gedistilleerde wateren zich snel op waarbij de twee boeken uit 1512 van de Straatsburgse arts Hieronymus Brunschwijgk (ca. 1450 – ca. 1512) vaak gebruikt werden als inspiratiebron én ook vertaald werd naar het Nederlands in 1517 al. Dit bewijst de grote interesse en potentieel van het distilleren nogmaals in onze regionen in die tijd. Zijn boeken bevatten veel afbeeldingen en is daarom belangrijk voor de geschiedenis van de techniek van het distilleren.

Afbeelding uit Constelijck Distileerboec

Het in 1552 verschenen Constelijck Distileerboec van de Antwerpse arts Phillipus Hermanni had zo een succes dat het tegen 1622 ettelijke keren was gekopieerd en vooral in Amsterdam werd heruitgegeven. Het bevatte immers ook een allereerst recept van een mengsel van geplette jeneverbessen met wijn dat moest gedistilleerd worden maar Hermanni voegde hier ook aan toe dat naast wijn ook wijndroesem, biergist en mede kon gebruikt worden.


Dat de Vlamingen in die tijd helemaal mee waren met het distilleren en hier heel wat meesterschap in hadden blijkt ook uit een notule uit 1604 uit de Cognacstreek. Enkele consuls nodigen Vlamingen uit om hen te helpen bij het maken van een grote hoeveelheid eau-de-vie. De aanwezigheid van Vlamingen in Cognac is nog te zien: grote cognachuizen zoals Martell en Hennessy zijn gevestigd aan de Quai des Flamands. Ook in datzelfde jaar waren er ten minste 8 faiseurs d’eau-de-vie in La Rochelle waarvan 4 Vlamingen.


Een belangrijke uitvinding in het midden van de 17e eeuw is van een Duitse fysicus die in Amsterdam woonde. Hij was volgens zijn tijdsgenoten bezeten door de distilleerkunst en zal aan de wieg staan van de stoomdistillatie. Hij liet water koken in een restort en liet de dampen borrelen door een vat gevuld met wijn. De dampen die hiervan vrijkwamen werden terug afgekoeld in een spiraalvormige slang, gedompeld in een koelvat. Pas 150 jaar later zou deze techniek op een industriële wijze worden toegepast door de Fransman Edouard Adam en ligt aan de basis van de uitvinding van de stookkolom.


De industriële tijden


Na de afscheuring van België van de rest van de Nederlanden, werd het het eerste land op het Europese vasteland waar de industrialisering zijn intrede deed. Machines werden niet meer aangedreven door ossen of water maar door een stoommachine. In de grotere stokerijen werden vrij vroeg stoomketels en stoommachines ingevoerd. Meer nog dan de opwarming van het beslag en de aandrijving van de machines had de invoering van de continu werkende stookkolom een grote invloed. Hierbij speelden Franse uitvinders een grote rol. In een tijdspanne van 30 tot 40 jaar werd de overgang gerealiseerd van de klassieke alambiek naar de continu werkende stookkolom. En daar zitten de Belgen voor iets tussen!


Het principe van distillatie met een traditionele alambiek of pot still is dat twee vloeistoffen gescheiden worden van elkaar door middel van hun verschil in kooktemperatuur. De dampen tijdens het koken worden geleid via de zwanenhals en terug omgezet naar een vloeistof in de condensor. Zeer primitief en daarom ook al zo lang beoefend. Een stookkolom doet dit principe ook maar, afhankelijk van het aantal schotels of stages, enkele keren na elkaar in één stooksessie en kan dit in een constant systeem worden ondergebracht. Het grote voordeel van de continu stookkolom is dat er economischer gestookt kan worden. De nog te stoken vloeistof wordt al voorverwarmd terwijl het gestookte distillaat hierin al condenseert. En tweede voordeel is dat er fijner en hoger kan worden gestookt. Onderstaand voorbeeld is een visualisatie van een kolom samen met een voorverwarmer. Vandaag zit dit systeem vaak in één enkele kolom samen.

A: fractioneerkolom - B: rectificeerkolom - 1: wash - 2: stoom - 3: condensaat uit - 4: alcoholdamp - 5: niet volatiele componenten - 6: volatiele componenten - 7: condensor


Een belangrijke doorslag hierin was het patent van de Fransman J.P. Cellier-Blumenthal. In 1813 patenteerde hij na enkele pogingen van andere uitvinders, zijn eigen kolom. Baanbrekend hieraan waren de geperforeerde platen en de verschillende schotels waaruit de kolom bestond. Deze uitvinding was uitermate goed geschikt voor het distilleren van wijn en inzetbaar bij de grote industriële suikerraffinaderijen maar niet voor stokerijen die met een graanbeslag werkten. Toen hij zijn uitvinding presenteerde bij grote stokerijen in Nederland werd deze dan ook niet goed onthaald. Daar vond men dat de stookkolom wel voordeel had om flegma, of alcoholdamp, te stoken maar niet voor het graanbeslag gezien de kolom vaak verstopt raakte. Dit zette Cellier-Blumenthal ertoe om zijn kolom te verbeteren en geschikt te maken voor graanbeslag. Na de aanpassingen kende zijn uitvinding bij het testen ervan veel succes en werd ze veel gekopieerd door anderen. Dit leidde dan weer tot vele rechtsprocessen om zijn patent te beschermen. Geïrriteerd door de vele processen vestigde Cellier-Blumenthal zich vanaf 1820 in Koekelberg bij Brussel.


Schets van La Colonne Belge door Cellier-Blumenthal (1816)

Door het feit dat hij in Brussel woonde en zijn initiële uitvinding bleef verbeteren, kende de stookkolom in België veel succes. Ook zijn goede vriendschap met koning Leopold I, die zelf een aardappelstokerij bezat en geïnteresseerd was in innovaties in deze industrie, stimuleerde de ontwikkeling hiervan in deze regio. In deze periode werkte hij samen met de Brusselse koperslagers Delattre, Dubois en Camal en vervingen ze de geperforeerde platen door borrelkapjes waardoor dikke graanbeslagen de kolom niet meer zou doen verstoppen. De allereerste graanstokerij in het Koninkrijk der Nederlanden (1815 – 1830) die een stookkolom plaatste was stokerij Dooms in Lessen (Lessines) in 1828. Hier werd veel en gedetailleerd getest in de toen zeer vooruitstrevende stokerij van de broers Jean-Baptiste en Louis Dooms. Een tweede kolom werd geplaatst in 1829 bij het alcoholverwerkingsbedrijf Van Volxem in Halle en een derde in 1830 bij Claes in Lembeek, op dat moment de grootste stokerij van de Nederlanden. Gezien de vooruitstrevende houding van enkele Belgische stokers, het feit dat de uitvinder toen in Brussel woonde en gezien de eerste successen met de nieuwe stookkolom werden geboekt in België, wat een baanbrekende revolutie was in de distilleerwereld, werd deze kolom ook la colonne belge genoemd.

Twee stookkolommen bij stokerij Louis Meeus in Wijnegem, Antwerpen. De grootste stokerij die België, en allicht Europa, ooit heeft gekend.

Cellier-Blumenthal was overigens niet de enige die stookkolommen bouwde in België. Pierre Savalle, een Franse industrieel die een groot deel van zijn leven in België doorbracht, had drie suikerstokerijen in België opgericht en was bevriend met Cellier-Blumenthal. Echter na een discussie tussen beiden, begon Savalle zelf stookkolommen te bouwen. Hij deed dat in 1818 in een constructieatelier in een van de drie suikerfabrieken-stokerijen die hij in België bezat. Later construeerde zijn familie volledige stokerijen met kolommen over heel Europa. Na een voorval met stoomexplosie, waar zowel Cellier als Savalle aan de dood ontsnapten, begon Savalle zich verder ook te focussen op stoomcontrole waaruit de hedendaagse stoomregulator is voortgekomen.


Vandaag is de stookkolom of de continuous still of de column still een begrip over de hele wereld. Het waren vooral Franse ingenieurs die het initiatief namen om een revolutie te ontketen en een nieuwe manier ontwikkelden, toch leek het eerder dat ze moesten uitwijken naar het buitenland om hun uitvindingen een kans op bestaan te kunnen geven. België was vaak de uitvalsbasis om dergelijke ontwikkelingen te testen. Daar stond men open voor innovatie en industriële progressie en durfde men het conservatieve aan te pakken.


Met bovenstaande in het achterhoofd, verwelkomden we bij stokerij Van der Schueren in 2021 voor het eerst een stookkolom, daarvoor gebeurde alles met pot still. Als Belgische stokerij zijnde, aanbidden we niet alleen grondstoffen uit eigen regio maar ook oude manieren en methoden van werken die eigen zijn aan onze streek. De komst van onze kolom draagt hier ongetwijfeld aan toe.

Recente blogposts

Alles weergeven